Geschreven door Jasper Oosterloo
Wetgeving zoals de EPBD IV en de CSRD-rapportageplicht dwingen de vastgoedsector om te verduurzamen. In de praktijk betekent dit vaak dat gebouweigenaren toewerken naar een hoog energielabel, zoals A+++ of A++++, omdat banken of regelgeving dit eisen. Dit leidt tot flinke investeringen in warmtepompen, zonnepanelen en isolatie. Het probleem is echter dat een energielabel slechts een theoretische berekening is. Wie daar blind op vaart als garantie voor een laag energieverbruik, loopt in de praktijk tegen onverwachte kosten en tegenvallende prestaties aan. We moeten sturen op de meter met de WEii (Werkelijke Energie Intensiteit Indicator).
Vroeger was een gebouw relatief simpel: een passieve constructie die af en toe onderhoud nodig had. Moderne, duurzame gebouwen lijken meer op een complexe machine. Net als bij een auto hangt het uiteindelijke verbruik sterk af van de afstelling en het gebruik, en niet alleen van de fabrieksspecificaties.
We rekenen verduurzaming vaak te simpel uit: een bepaalde maatregel levert in een model een bepaalde besparing op. In de realiteit stuiten we op de Energy Performance Gap – het verschil tussen de berekening en de werkelijkheid.
Een veelgemaakte fout is het geïsoleerd toepassen van maatregelen. Betere isolatie vereist bijvoorbeeld ook een betere ventilatie. Dat werkt in de praktijk alleen efficiënt als een warmtepomp en een warmteterugwinningsinstallatie (WTW) perfect op elkaar zijn afgestemd. Wanneer één van deze maatregelen los wordt berekend, kan dit in een spreadsheet tot een gunstige uitkomst en een beter label leiden. In de praktijk zorgt het voor een slecht binnenklimaat of installaties die onnodig hard moeten werken.
Waarom valt de energierekening na een grondige renovatie dan toch vaak tegen? Naast techniek speelt menselijk gedrag een grote rol, iets wat we de Behavioural Energy Performance Gap noemen. Dit hangt samen met de Jevons Paradox en het Rebound-effect.
Wanneer een gebouw door isolatie en nieuwe installaties energie-efficiënter wordt, dalen de relatieve kosten van verwarming en comfort. Dit beïnvloedt gedrag. Gebruikers zetten de thermostaat een graadje hoger, of de verwarming draait langer door omdat het pand “toch al groen en zuinig is”. De technische winst wordt zo deels of geheel tenietgedaan door een toename in gebruik.
Voor asset managers vormt dit een financieel risico. De investeringskosten (CAPEX) voor verduurzaming zijn vooraf goed te berekenen. De operationele kosten (OPEX) zijn veel onzekerder. Omdat we nog relatief weinig historische data hebben over de nieuwste duurzaamheidsmaatregelen op de lange termijn, is het lastig inschatten wat dit betekent voor beheer. Nieuwe techniek vereist ander en soms meer onderhoud. Als de theorie niet aansluit bij de praktijk, vallen zowel de energierekening als de onderhoudskosten hoger uit.
Het hogere verbruik ligt niet alleen aan de gebruiker of het Rebound-effect. Gebouwautomatisering en -beheer (GACS) bepalen voor een groot deel of de theorie gehaald wordt. Dit verschilt sterk per pand. Het verbruik hangt af van specifieke factoren: op welke uren zijn mensen aanwezig? Staat de zon vol op de gevel? Zelfs de locatie maakt uit, een kantoor aan de rand van Utrecht functioneert anders dan een pand ergens in de polder. Om dit in kaart te brengen, is theorie onvoldoende en is een fysieke gebouwopname nodig.
De rapportageplicht (zoals CSRD) vraagt steeds vaker om inzicht in het werkelijke verbruik. De WEii-methode sluit hierop aan: het kijkt simpelweg naar de getallen op de meter.
Bij De Groene Jongens vormt de WEii de basis. We nemen de actuele meterstanden en analyseren vanuit daar wat duurzaamheidsmaatregelen in de praktijk gaan doen met dat specifieke getal. Als een pand op papier duurzaam is maar in de werkelijkheid slecht scoort, hanteren we de volgende stappen:
Blind sturen op energielabels is een achterhaalde methode. Inzicht, afstelling en sturen op werkelijke data zijn de enige manieren om gebouwen écht te verduurzamen.
Een goed energielabel is een belangrijk startpunt, geen eindpunt. Wie écht wil weten hoe een gebouw presteert, moet verder kijken dan de berekening en sturen op werkelijk energiegebruik.
De Groene Jongens helpt gebouweigenaren, asset managers en vastgoedbeheerders om de stap te maken van labelsturing naar prestatiesturing. We brengen het werkelijke verbruik in beeld met WEii, analyseren energiestromen, voeren gebouwopnames uit en onderzoeken waar theorie en praktijk uit elkaar lopen.
Vanuit die analyse vertalen we data naar concrete maatregelen: betere inregeling van installaties, optimalisatie van GACS, slimme monitoring, verbeterde ventilatieconcepten, Paris Proof-routekaarten en onderbouwde variantenstudies voor verduurzaming.
Zo voorkom je dat duurzame investeringen alleen op papier goed scoren. Je krijgt grip op energieprestatie, comfort, onderhoudskosten en CO₂-reductie.
Wil je weten of jouw gebouw niet alleen een goed label heeft, maar ook écht goed presteert?
De Groene Jongens helpt je sturen op de meter.