De Europese regels voor de energieprestatie van gebouwen worden aangescherpt. Met de komst van EPBD IV verschuift de gebouwde omgeving stap voor stap richting een emissievrije, energiezuinige en toekomstbestendige vastgoedvoorraad. Voor gebouweigenaren, ontwikkelaars, corporaties, gemeenten en ontwerpteams betekent dit dat verduurzaming steeds minder vrijblijvend wordt.
In Nederland wordt EPBD IV gefaseerd vertaald naar nationale wet- en regelgeving, onder andere via het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de Omgevingsregeling. De eerste tranche is inmiddels vastgesteld en treedt op 29 mei 2026 in werking. Deze wijzigingen gaan onder meer over energielabels, laadinfrastructuur, fietsparkeren, technische bouwsystemen, zonne-energie en gebouwdata.
In dit artikel zetten we de belangrijkste gevolgen op een rij voor nieuwbouw én bestaande bouw.
De huidige nieuwbouweisen zijn gebaseerd op BENG: Bijna EnergieNeutrale Gebouwen. Daarbij ligt de nadruk op het beperken van de energiebehoefte, het terugdringen van fossiel energiegebruik en het toepassen van hernieuwbare energie.
Met EPBD IV komt daar een volgende stap bij: ZEB, oftewel Zero-Emission Building. Een emissievrij gebouw heeft een zeer hoge energieprestatie, veroorzaakt geen of vrijwel geen CO₂-uitstoot uit fossiele brandstoffen op locatie en draait in hoge mate op hernieuwbare energie.
Voor nieuwbouw wordt dit de nieuwe stip op de horizon:
De Nederlandse detailregels voor ZEB worden nog verder uitgewerkt. Voor ontwerpteams is de richting al duidelijk: energieconcepten, installaties, gebouwschil, opwekking en monitoring moeten eerder in het proces integraal worden ontworpen. De ruimte om achteraf bij te sturen wordt kleiner.
Een belangrijk onderdeel van EPBD IV is de introductie van Minimum Energy Performance Standards, afgekort MEPS. Daarmee wil Europa sturen op het verbeteren van de slechtst presterende gebouwen.
Voor utiliteitsgebouwen betekent dit dat een deel van de bestaande voorraad voor 2030 en 2033 energetisch moet worden verbeterd. De lijn is als volgt:
De exacte Nederlandse grenswaarden worden nog vastgesteld. Voor vastgoedeigenaren is het daarom verstandig om nu al inzicht te krijgen in de energieprestatie van hun portefeuille. Niet alleen via het energielabel, ook via werkelijk energiegebruik, installatiestaat, renovatiemomenten en investeringsplanning.
Voor woningen komen er geen individuele minimale energielabeleisen onder EPBD IV. Wel moet het gemiddelde primaire energiegebruik van de woningvoorraad omlaag: 16% in 2030 en 20 tot 22% in 2035 ten opzichte van 2020.
EPBD IV legt meer nadruk op het goed functioneren van technische installaties. Een energiezuinig gebouw vraagt niet alleen om goede installaties, ook om slimme aansturing, monitoring en optimalisatie.
Voor utiliteitsgebouwen wordt een Gebouw Automatiserings- en Controlesysteem (GACS) steeds belangrijker. Voor gebouwen met een verwarmings- of airconditioningsinstallatie boven 290 kW geldt de GACS-verplichting al. Vanaf 1 januari 2030 wordt de drempel verlaagd naar 70 kW. Daarmee komt een grotere groep gebouwen in beeld.
Daarnaast moeten grote niet-woongebouwen waarop GACS van toepassing is vanaf 1 januari 2028 ook automatische lichtregeling hebben, passend per zone ingedeeld en met bezettingsdetectie. Denk aan kantoren, scholen, zorggebouwen, laboratoria en gebouwen met wisselende gebruiksprofielen.
Voor gebouweigenaren is dit een kans om energieprestatie, comfort en gebruiksdata structureel beter te koppelen. Niet alleen voldoen aan de regelgeving, ook grip krijgen op de werkelijke prestaties van het gebouw.
EPBD IV maakt zonne-energie en hernieuwbare energie nadrukkelijker onderdeel van gebouwontwerp en renovatie. Voor nieuwbouw betekent dit dat bij het toelaten van nieuwe gebouwen in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het potentieel voor zonne-energie.
Denk aan oriëntatie, dakvlak, schaduw, constructie, brandveiligheid, installatieroutes en netaansluiting. Zonne-energie wordt daarmee geen losse optimalisatie achteraf, maar een ontwerpuitgangspunt.
Voor bestaande overheidsgebouwen wordt de plicht gefaseerd ingevoerd:
Voor bestaande niet-woongebouwen groter dan 500 m² geldt vanaf 1 januari 2028 een verplichting voor hernieuwbare energie bij bepaalde vergunningplichtige verbouwingen aan het dak of aan technische bouwsystemen die de energieprestatie beïnvloeden.
Bij specifieke belemmeringen, zoals constructieve beperkingen, locatiegebonden beperkingen, netcongestie of een terugverdientijd van meer dan tien jaar, blijft projectmatige onderbouwing nodig.
Voor ontwerp- en renovatietrajecten betekent dit dat zonnepanelen, netaansluiting, opslag, slim laden en energieprofielen eerder in samenhang moeten worden bekeken. Een dak volleggen is niet altijd de beste strategie. De slimme route zit in de koppeling tussen opwek, vraag, opslag, installaties en gebruik.
De mobiliteit rond gebouwen wordt onderdeel van de energieprestatie-opgave. EPBD IV scherpt de eisen aan voor laadpunten, voorbekabeling, leidingdoorvoeren en fietsparkeerplaatsen.
Voor nieuwbouw en ingrijpende renovatie van niet-woongebouwen met meer dan vijf parkeervakken gelden vanaf 29 mei 2026 strengere eisen:
Voor nieuwbouw en ingrijpende renovatie van woongebouwen met meer dan drie parkeervakken geldt:
Voor bestaande niet-woongebouwen met meer dan twintig parkeervakken geldt vanaf 1 januari 2027 minimaal één laadpunt per tien parkeervakken, of leidingdoorvoeren voor minimaal 50% van de parkeervakken. Voor gebouwen van of in gebruik door overheidsinstanties komt daar vanaf 1 januari 2033 een aanvullende eis voor voorbekabeling bij.
Ook fietsparkeren krijgt meer aandacht. Voor nieuwe niet-woongebouwen wordt fietsparkeren via het omgevingsplan en het Bkl geborgd, met aandacht voor capaciteit en ruimte voor grotere fietsen.
Hiermee verschuift mobiliteit van een losse parkeervraag naar een integraal onderdeel van het gebouwconcept. Zeker bij kantoren, scholen, zorgvastgoed en publieke gebouwen kan dit impact hebben op terreinindeling, elektrische capaciteit, piekbelasting, brandveiligheid en exploitatie.
Vanaf 29 mei 2026 krijgt het energielabel een nieuwe opzet met extra informatie over de energieprestatie van woningen en gebouwen. Labels die voor die datum zijn afgegeven blijven geldig en worden niet automatisch aangepast.
Ook wordt het energielabel op meer momenten relevant. Na oplevering van een ingrijpende renovatie moet een geldig energielabel aanwezig zijn. Bij huurverlenging of na ingrijpende renovatie moet een afschrift aan de huurder beschikbaar worden gesteld.
Daarnaast vervalt de algemene uitzondering voor beschermde monumenten. Bij verkoop, verhuur of relevante huursituaties kan een monument daardoor labelplichtig zijn. Voor monumenten blijven sommige andere verplichtingen, zoals de kantoorlabel-C-plicht en toekomstige minimale energieprestatie-eisen, uitgezonderd.
Het energielabel ontwikkelt zich daarmee verder van een classificatie naar een praktisch adviesinstrument. Naast energiebesparende maatregelen komt er meer aandacht voor isolatie, installaties, duurzame energie, uitstoot, binnenmilieu, comfort en verbeterstappen.
Dat past bij de bredere beweging in de gebouwde omgeving: sturen op energie alleen is niet genoeg. Een toekomstbestendig gebouw presteert ook op ventilatie, luchtkwaliteit, comfort, materiaalgebruik en gebruikskwaliteit.
Een belangrijk nieuw onderdeel van EPBD IV is de aandacht voor de broeikasgasimpact over de volledige levenscyclus van gebouwen: de whole-life-cycle Global Warming Potential, afgekort wlc-gwp.
Vanaf 1 januari 2028 moet deze impact voor nieuwe gebouwen groter dan 1.000 m² worden berekend en op het energielabel worden vermeld. Vanaf 1 januari 2030 geldt dit breder voor nieuwbouw. De nationale uitwerking volgt in een latere tranche.
Daarmee schuiven energieprestatie en materiaalimpact dichter naar elkaar toe. Voor ontwerpteams betekent dit dat keuzes over installaties, energieconcept, constructie en materialen eerder integraal moeten worden beoordeeld.
Dit raakt direct aan thema’s als MPG, MKI, Paris Proof bouwen, biobased materialen en circulair ontwerp. De vraag wordt niet alleen: hoeveel energie gebruikt een gebouw straks? De vraag wordt ook: hoeveel CO₂-impact veroorzaakt het gebouw over de hele levenscyclus?
Hoewel nog niet alle Nederlandse grenswaarden definitief zijn vastgesteld, is afwachten geen sterke strategie. De eerste tranche is vastgesteld en veel toekomstige verplichtingen raken aan natuurlijke renovatiemomenten, onderhoudsplanningen, installatietechnische vervanging en investeringsbesluiten.
Voor gebouweigenaren, ontwikkelaars en vastgoedbeheerders is dit een logisch moment om:
EPBD IV is meer dan een wijziging in regelgeving. Het is een versnelling richting gebouwen die aantoonbaar beter presteren: energiezuinig, emissiearm, comfortabel en klaar voor toekomstige eisen.
De Groene Jongens helpt gebouweigenaren, ontwikkelaars en ontwerpteams om deze opgave praktisch te maken. We brengen de huidige gebouwprestatie in beeld, onderzoeken verduurzamingsvarianten en vertalen wetgeving naar haalbare maatregelen, investeringsmomenten en ontwerpkeuzes.
Van energieprestatie en installatieadvies tot monitoring, bouwfysica, MPG, materiaalimpact en duurzaamheidsstrategie: wij zorgen dat ambities landen in gebouwen die werken. Vandaag, in 2030 en daarna.